San F. Yezerskiy

op de oppositiebanken van uw hart.

In your endless summer night (I)

I.

‘Hebben jullie hier toestemming voor?’ De vraag haalde mij bruusk uit mijn concentratie. Ik zat net rustig op een laag muurtje onder een hoop tropische planten te doen alsof ik iedere middag op deze plaats een half uur voor mij uit kwam staren, toen een bewaker op ons afstormde. ‘Toestemming? Voor een paar foto’s? We zijn zo weer weg.’ ‘De kruidtuin is privéterrein.’

‘Ik weet nog wel ergens anders’, zei ik. Ongemerkt smokkelde ik de fotograaf binnen in de grote vergaderzaal van het gebouw waar ik werk, een volledig houtbekleed meesterwerk met monogrammen van Victor Horta. Daar moest ik achterstevoren op een stoel gaan zitten. Ik ga nooit achterstevoren op een stoel zitten. ‘Kijk nu maar even ontspannen naar mij.’ Ik kijk nooit ontspannen naar iemand.

(meer lezen)

Working it out, one day at a time

De Italiaanse zon maakte vooral het slapen moeilijk. Zodra de warmte in het huis zat, geraakte ze niet meer weg en het licht dat door de houten luiken kroop, zorgde ervoor dat ik nog veel actiever droomde dan gewoonlijk.

In een van die dromen werd ik een jaar of vijftien terug in de tijd gebracht, naar een woonsituatie die ik herkende, maar toch ook niet. Het huis van mijn vader is er in mijn dromen altijd een dat nooit echt heeft bestaan, lukraak samengesteld uit willekeurige kamers van de verschillende plekken waar hij heeft gewoond.

Ik besefte dat ik, nog los van te leren begrijpen hoe dit was gebeurd, een groot stuk van mijn leven opnieuw zou moeten leven met alle kennis van later die ik al had. Ik werd gek van de gedachte aan alle mensen die ik zou moeten terugvinden — hoe leg je in godsnaam aan iemand uit dat ze, al is het maar voor korte tijd, om je zal gaan geven? —, aan alle boeken die ik opnieuw zou moeten kopen, aan alle minder goede dagen die ik zou moeten herbeleven terwijl ik iets beters miste dat nog zou komen.

Thomas was op bezoek. Die kende ik dus al. Dat viel mee. Ik moest me inhouden om hem niet over zijn kinderen te vertellen.

 

“He would have paid anything for a time machine. Just to go back. He was always missing something, always wishing that he could have done something better, or had something again.” — Good Ol’ Charles Schulz (2007)

I used to be a lot like you

(Origineel geschreven in februari 2018.)

Ik had me niet genoeg gehaast: mijn vrienden stonden al te wachten voor de snackbar aan de overkant van de straat. Net toen ik wilde oversteken, hoorde ik boven het gepraat op mijn hoofdtelefoon een vreemd geluid — een liedje, in hoge, scherpe tonen. Ik stopte om beter te luisteren. Ergens klonk een metalig Happy Birthday, dat opnieuw en opnieuw werd herhaald. Ik wenkte de anderen. Zij hoorden het ook. We gingen samen op zoek. Door de weerkaatsing tussen de flatgebouwen leek het geluid van overal te komen. Na een paar minuten zag ik op de grond een metalen chip liggen met een paar draadjes eraan. Het was de binnenkant van een verjaardagskaart. Ik raapte het ding op en stopte het in mijn jaszak, waardoor het geluid ophield. We gingen eten.

(meer lezen)

But that was bloody yesterday

Twee jaar geleden trok ik uit Leuven weg, in de eerste plaats omdat ik bang was om elke dag herinnerd te worden aan alle mooie dingen die ik daar had gedaan. Dat was geen slimme beslissing, zo bleek achteraf, maar de logica erachter valt nog wel te begrijpen.

Toen ik dit jaar terugkwam, besloot ik met evenveel logica om alles wat mij vroeger zo blij had gemaakt, net opnieuw op te zoeken. Ik maakte weer tijd om te tekenen en, ook al kwamen de nieuwe ideeën niet zo vlot als ik had gewild, toch lukte het om met mijn oude ideeën steeds iets nieuws te proberen.

Het was al klaarlicht, maandagochtend om half zes. Ik probeerde onzichtbaar te blijven voor de mensen op straat – een man die een vrachtwagen uitlaadde, twee meisjes die op het plein uitrustten tijdens het joggen, pendelaars op weg naar het werk. Dat lukte aardig. Een half uur lang voelde ik mijn door de griep vermoeide benen niet meer. Daarna hingen alle vogels omhoog en nam ik de bus terug naar huis.

Ik had een linosnede gemaakt van een collage van mijn beste vriend, omdat ik de vluchtigheid die ik aan zijn werk zo bewonder eens wilde omzetten in iets heel traags en minutieus. Ik hing het resultaat op aan de kant van het station waar hij elke ochtend passeert, zodat hij het als eerbetoon zou tegenkomen aan de trein. Achteraf hoorde ik dat hij al wekenlang de fiets neemt naar school.

              

Voor het vergeten

Lieve J.,

De eerste keer dat wij elkaar zagen, was tijdens de boekvoorstelling van een schrijver die ik erg hoog heb zitten. Er waren opvallend weinig mensen in de zaal die avond. Bij de voorstelling hoorde een interview met de auteur en het was toen al ondenkbaar dat iemand anders dan jij daarvoor zou worden gevraagd. Ik denk dat ik je enkele dagen later voor het eerst heb geschreven.

(meer lezen)

It was the end of times

Ik hing met mijn beste vriend uit het raam, te wachten op het moment dat de verhuiswagen de straat zou inrijden. ‘Weet je nog,’ vroeg Geert, ‘toen met het vorige huis?’ Hoe die dag de ladderlift niet was komen opdagen, maar iedereen die was komen helpen toch in geen tijd alle spullen naar de eerste verdieping had gekregen – door een doorgeefketting te maken en zo de zetel, die te groot was voor de trap, via het muurtje in de tuin en het dak van de keuken naar het bureau te tillen.

Hoe we die avond, doodmoe van al het werk, nog hadden meegedaan met een zaalkwis, georganiseerd door een goed doel in Congo, en dat we niet bijzonder hoog eindigden maar dat één van ons wel met de tombola een bon won voor een weekend in een lowbudget vakantiepark en dat we meteen besloten om daar met z’n allen toch maar heen te gaan.

Het vakantiepark was bijna volledig verlaten, op zomaar een weekend in oktober. We aten afhaalpizza en keken voetbal en een film en toen we de volgende dag door het domein wandelden, begon het ons op te vallen dat er behalve wij alleen maar een aantal orthodox-joodse families rondliepen. Achteraf pas ontdekten we in de krant dat we samen met de Sekte van de Seksrabbijn in het park hadden gelogeerd en dat er dat weekend één van hun leden was omgekomen in het veel te koude water.

Dat waren de dingen die wij zomaar meemaakten, zonder dat we ook maar één moment stilstonden bij wat voor een sterke verhalen zij later zouden opleveren of hoeveel wij om elkaar gaven, laat staan dat nauwelijks een paar jaar later alles zo anders zou kunnen zijn.

Koffie

Op de eerste ochtend dat ik hier wakker werd, stond ik in de woonkamer voor het raam. Ik dronk koffie terwijl ik naar buiten keek, waar een tiental stadstuinen willekeurig in elkaar gevlochten lagen. Een jonge, witte kat zocht zich een weg over de scheidingsmuren en sprong de tuin vlak onder mij binnen. Ze snuffelde wat tussen de bladeren van een struik, draaide zich om, liep een houten speelhuisje op en ging daar even zitten. Ik bleef haar volgen. Af en toe moest ik op de tippen van mijn tenen staan om de juiste hoek te vinden zodat ik haar niet zou kwijtraken. Verder deed ik niets. De koffie was allang op. Ik luisterde naar elk klein geluid in huis en wachtte tot de deur zou opengaan.