San F. Yezerskiy

op de oppositiebanken van uw hart.

Working it out, one day at a time

De Italiaanse zon maakte vooral het slapen moeilijk. Zodra de warmte in het huis zat, geraakte ze niet meer weg en het licht dat door de houten luiken kroop, zorgde ervoor dat ik nog veel actiever droomde dan gewoonlijk.

In een van die dromen werd ik een jaar of vijftien terug in de tijd gebracht, naar een woonsituatie die ik herkende, maar toch ook niet. Het huis van mijn vader is er in mijn dromen altijd een dat nooit echt heeft bestaan, lukraak samengesteld uit willekeurige kamers van de verschillende plekken waar hij heeft gewoond.

Ik besefte dat ik, nog los van te leren begrijpen hoe dit was gebeurd, een groot stuk van mijn leven opnieuw zou moeten leven met alle kennis van later die ik al had. Ik werd gek van de gedachte aan alle mensen die ik zou moeten terugvinden — hoe leg je in godsnaam aan iemand uit dat ze, al is het maar voor korte tijd, om je zal gaan geven? —, aan alle boeken die ik opnieuw zou moeten kopen, aan alle minder goede dagen die ik zou moeten herbeleven terwijl ik iets beters miste dat nog zou komen.

Thomas was op bezoek. Die kende ik dus al. Dat viel mee. Ik moest me inhouden om hem niet over zijn kinderen te vertellen.

 

“He would have paid anything for a time machine. Just to go back. He was always missing something, always wishing that he could have done something better, or had something again.” — Good Ol’ Charles Schulz (2007)

I used to be a lot like you

(Origineel geschreven in februari 2018.)

Ik had me niet genoeg gehaast: mijn vrienden stonden al te wachten voor de snackbar aan de overkant van de straat. Net toen ik wilde oversteken, hoorde ik boven het gepraat op mijn hoofdtelefoon een vreemd geluid — een liedje, in hoge, scherpe tonen. Ik stopte om beter te luisteren. Ergens klonk een metalig Happy Birthday, dat opnieuw en opnieuw werd herhaald. Ik wenkte de anderen. Zij hoorden het ook. We gingen samen op zoek. Door de weerkaatsing tussen de flatgebouwen leek het geluid van overal te komen. Na een paar minuten zag ik op de grond een metalen chip liggen met een paar draadjes eraan. Het was de binnenkant van een verjaardagskaart. Ik raapte het ding op en stopte het in mijn jaszak, waardoor het geluid ophield. We gingen eten.

(meer lezen)

But that was bloody yesterday

Twee jaar geleden trok ik uit Leuven weg, in de eerste plaats omdat ik bang was om elke dag herinnerd te worden aan alle mooie dingen die ik daar had gedaan. Dat was geen slimme beslissing, zo bleek achteraf, maar de logica erachter valt nog wel te begrijpen.

Toen ik dit jaar terugkwam, besloot ik met evenveel logica om alles wat mij vroeger zo blij had gemaakt, net opnieuw op te zoeken. Ik maakte weer tijd om te tekenen en, ook al kwamen de nieuwe ideeën niet zo vlot als ik had gewild, toch lukte het om met mijn oude ideeën steeds iets nieuws te proberen.

Het was al klaarlicht, maandagochtend om half zes. Ik probeerde onzichtbaar te blijven voor de mensen op straat – een man die een vrachtwagen uitlaadde, twee meisjes die op het plein uitrustten tijdens het joggen, pendelaars op weg naar het werk. Dat lukte aardig. Een half uur lang voelde ik mijn door de griep vermoeide benen niet meer. Daarna hingen alle vogels omhoog en nam ik de bus terug naar huis.

Ik had een linosnede gemaakt van een collage van mijn beste vriend, omdat ik de vluchtigheid die ik aan zijn werk zo bewonder eens wilde omzetten in iets heel traags en minutieus. Ik hing het resultaat op aan de kant van het station waar hij elke ochtend passeert, zodat hij het als eerbetoon zou tegenkomen aan de trein. Achteraf hoorde ik dat hij al wekenlang de fiets neemt naar school.

              

Voor het vergeten

Lieve J.,

De eerste keer dat wij elkaar zagen, was tijdens de boekvoorstelling van een schrijver die ik erg hoog heb zitten. Er waren opvallend weinig mensen in de zaal die avond. Bij de voorstelling hoorde een interview met de auteur en het was toen al ondenkbaar dat iemand anders dan jij daarvoor zou worden gevraagd. Ik denk dat ik je enkele dagen later voor het eerst heb geschreven.

(meer lezen)

It was the end of times

Ik hing met mijn beste vriend uit het raam, te wachten op het moment dat de verhuiswagen de straat zou inrijden. ‘Weet je nog,’ vroeg Geert, ‘toen met het vorige huis?’ Hoe die dag de ladderlift niet was komen opdagen, maar iedereen die was komen helpen toch in geen tijd alle spullen naar de eerste verdieping had gekregen – door een doorgeefketting te maken en zo de zetel, die te groot was voor de trap, via het muurtje in de tuin en het dak van de keuken naar het bureau te tillen.

Hoe we die avond, doodmoe van al het werk, nog hadden meegedaan met een zaalkwis, georganiseerd door een goed doel in Congo, en dat we niet bijzonder hoog eindigden maar dat één van ons wel met de tombola een bon won voor een weekend in een lowbudget vakantiepark en dat we meteen besloten om daar met z’n allen toch maar heen te gaan.

Het vakantiepark was bijna volledig verlaten, op zomaar een weekend in oktober. We aten afhaalpizza en keken voetbal en een film en toen we de volgende dag door het domein wandelden, begon het ons op te vallen dat er behalve wij alleen maar een aantal orthodox-joodse families rondliepen. Achteraf pas ontdekten we in de krant dat we samen met de Sekte van de Seksrabbijn in het park hadden gelogeerd en dat er dat weekend één van hun leden was omgekomen in het veel te koude water.

Dat waren de dingen die wij zomaar meemaakten, zonder dat we ook maar één moment stilstonden bij wat voor een sterke verhalen zij later zouden opleveren of hoeveel wij om elkaar gaven, laat staan dat nauwelijks een paar jaar later alles zo anders zou kunnen zijn.

Koffie

Op de eerste ochtend dat ik hier wakker werd, stond ik in de woonkamer voor het raam. Ik dronk koffie terwijl ik naar buiten keek, waar een tiental stadstuinen willekeurig in elkaar gevlochten lagen. Een jonge, witte kat zocht zich een weg over de scheidingsmuren en sprong de tuin vlak onder mij binnen. Ze snuffelde wat tussen de bladeren van een struik, draaide zich om, liep een houten speelhuisje op en ging daar even zitten. Ik bleef haar volgen. Af en toe moest ik op de tippen van mijn tenen staan om de juiste hoek te vinden zodat ik haar niet zou kwijtraken. Verder deed ik niets. De koffie was allang op. Ik luisterde naar elk klein geluid in huis en wachtte tot de deur zou opengaan.

Mais tu n’as pas sommeil

De meeste dingen gebeuren trager, bedachtzamer. Na het koffie zetten vouw ik het zakje weer dicht. Dan volgt er nog een vouw en daarna schuif ik een plastic clip precies in het midden eroverheen. Ondertussen kijk ik door het raam naar de straat die ik alleen van vroeger ken. De verkaveling eindigt in een kleine cul-de-sac, waar in het midden ‘s ochtends kraaien zitten. Zij zoeken kastanjes in het bos een eindje verderop en laten die dan stukvallen op het asfalt, zodat ze rustig de binnenkant kunnen leegpikken. Daar kan ik minutenlang naar staan kijken, terwijl achter mij de koffie koud wordt.

Soms drink ik de koffie buiten op, waar aan de andere kant van het huis vier schapen zich afvragen wat ik daar doe en waarom ik zo vaak heen en weer loop. Dan probeer ik voor mezelf te bedenken wat het precies is dat schapengezichten tegelijk vriendelijk en griezelig maakt. Ondertussen hupt een mus over de bovenkant van het hek, van paaltje naar paaltje.

Ik wist niet dat er nog mussen waren.

Later op de dag neem ik de bus over drukke steenwegen, die mij in elke richting een ander vorig leven in brengen. De ritten duren lang, maar de manier waarop ze aaien over de littekens en verhalen laten de dagen snel vooruitgaan.

Controle is een luxe. Wie haar kwijtraakt, rest niets anders dan zich aan het drijven over te geven.