Brood

Als ik ‘s morgens in het weekend van het centrum naar mijn huis wandel, kom ik voorbij een bakkerij die bekend staat als de beste van de stad. De hele voormiddag lang staan er tot ver op straat klanten aan te schuiven. Vlak naast die bakkerij ligt nog een tweede bakkerij, waar nooit iemand komt. Op sommige dagen is de rij voor de eerste bakkerij zo lang dat de wachtende mensen de toegang tot de tweede helemaal belemmeren.

Ooit liep ik op een zondagnamiddag door die bewuste straat. Uit de tweede bakkerij kwamen een man en een vrouw gestormd. De vrouw werkte in de winkel, zag ik aan haar schort. De man droeg een grijze Curverbak vol onverkochte broden. Ze schreeuwden tegen elkaar. Ik kon niet opmaken of ze echt ruzie hadden of gewoon heel luid een gesprek voerden, zoals de mensen hier dat weleens doen. De vrouw riep “klootzak!” en draaide zich om om de winkel weer binnen te gaan.  De man liet de Curverbak met een harde klap in de koffer van een bestelwagen vallen, nam een groot rond brood van de stapel en gooide het met alle macht tegen de rug van de bakkersvrouw. Een moment lang stond iedereen stil. Ik keek even verbouwereerd als de vrouw en zelfs als de man, die zich leek af te vragen of hij nu echt net een brood tegen iemands rug had gegooid. Daarna schudde hij zijn hoofd, stapte in de bestelwagen en reed weg. De vrouw liep de bakkerij in. Het brood bleef voor mijn voeten achter op straat.