Wachten tot je landt (1)

(februari)

I.

Ik heb een man geslagen. Niet heel hard, op de achterkant van zijn hoofd. Daar ben ik niet trots op, maar in mijn verdediging: hij had eerst mij en een hoop andere mensen bezeerd door luid schreeuwend en wild om zich heen schoppend doorheen een groep wachtenden te stormen op het perron.

Het was maar een kwestie van tijd voor er iets als dit zou gebeuren.

II.

Ik zit buiten op het terras van mijn eerste toevluchtsoord en kijk hoe de fietsers en trams voorbijglijden. Een meisje brengt mij kroketten op brood. Naast mij komt een man zitten met het dikste brilmontuur dat ik ooit heb gezien. Hij wordt vergezeld door een oudere vrouw van wie ik vermoed dat zij zijn moeder is. Pas wanneer de twee elkaar op de mond kussen, ontdek ik dat de man ouder is dan ik eerst dacht en de vrouw veel jonger. Bij een broodje tonijn en een kom soep bespreekt het koppel de huwelijksproblemen van een gezamenlijke vriendin en haar echtgenoot Patrick, die maar eens moet ophouden met al die verhoudingen. Zodra het broodje op is, neemt de man abrupt afscheid en loopt weg richting het zebrapad. Na een paar meter keert hij schoorvoetend terug omdat hij zijn portefeuille is vergeten.

Ik voel de eerste zon op mijn gezicht en sluit de ogen. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik mijzelf meteen al een stuk lichter voelde worden, maar dat klopt toch niet helemaal.

III.

De kamer waar ik die nacht zal slapen, ruikt naar Chinees eten. Niet alsof iemand er net Chinees hééft gegeten, maar alsof iemand er twintig jaar lang tien tot twaalf uur per dag Chinees heeft staan koken, tot hij op een dag besliste: “zo, dat is wel even genoeg mie”, de wokpannen buitenflikkerde, een bed installeerde maar de doorrookte gordijnen liet hangen en visitekaartjes bestelde om aan de wereld kenbaar te maken dat hij vanaf nu met ‘hotelier’ diende te worden aangesproken. Ik zet de ramen wagenwijd open voor ik weer naar buiten ga, maar een paar uur later zal blijken dat dat niets heeft uitgehaald.

‘s Avonds laat ik het bad vollopen, vul de beker voor het tandenpoetsen met wijn en herlees High Fidelity met alleen mijn onderarmen boven het water. Na een tijd merk ik dat ik mij, door de manier waarop Nick Hornby schrijft, begin te voelen alsof ik ook zélf net ben gedumpt. Het opwellende zelfmedelijden weerhoudt mij er niet van om verder te lezen, integendeel, het spoort mij zelfs aan.

IV.

Wanneer ik de volgende ochtend voorbij het Van Gogh Museum loop, lijkt er iets mis, al kan ik er niet meteen de vinger op leggen wát precies. Dan merk ik dat nu, vlak voor openingstijd, de rij met toeristen ontbreekt die daar normaal gezien de hele dag lang tot ver om de hoek staan aan te schuiven. Ik twijfel even, maar loop dan als eerste bezoeker naar binnen.

Ik bekijk uitgebreid de landschappen die Van Gogh heeft geschilderd om zichzelf te bekwamen, het ene korenveld na het andere, en door de Engelstalige titels op de naambordjes en het rock-‘n-rollboek van vannacht schiet opeens heel hardnekkig de baslijn van London Calling van The Clash door mijn hoofd (“meltdown expected, the wheat is growing thin”).

Naast de beroemde Slaapkamer in Arles hangt een brief van Vincent aan zijn broer Theo, waarin hij schrijft: “het zien van dit schilderij moet rust geven aan het hoofd.” Ik zet een paar stappen achteruit en staar zo hard ik kan en ik wacht tot er iets gebeurt in mijn hoofd, maar het enige dat ik hoor is: “po-dommm, podododom, po-dommm, podododom.”

V.

Terug op straat hoor ik een vader zijn weetikhoeveeljarige zoontje het verschil uitleggen tussen doorzettingsvermogen en uithoudingsvermogen. Hij moet even nadenken, maar daarna lukt het hem perfect, met de juiste voorbeelden, simpel genoeg voor een kind om te begrijpen en toch volledig. Ik zit in beate bewondering te luisteren en kan alleen maar denken: “dit zou mij van z’n leven niet zijn gelukt.”

VI.

Aan het waterbassin waar iemand mij ooit fotografeerde, ruikt het overweldigend sterk naar bloesems, zonder dat ik de bomen of struiken kan zien die die geur voortbrengen. Ik weet niet waarom ik hierheen ben gewandeld. Zelfs vakanties als deze komen uiteindelijk altijd neer op het ophalen van herinneringen, het herbewandelen van plaatsen waar ik ooit met anderen ben geweest.

Ik denk na over de vrienden die ik heb en de vrienden die ik graag had gewild, maar die ik onderweg verloren ben, en heel af en toe denk ik zelfs een moment niet aan mijn grootvader, maar echt lang duurt dat nooit.