Aan de kassa van de Delhaize ergerde ik mij een beetje aan het meisje voor me in de rij, niet door de hoeveelheid boodschappen die ze had – die bestonden uit niet meer dan een fles wijn, een pak spaghetti en één eetrijpe avocado – maar doordat ze bewust géén balkje neerlegde toen ze zag dat ik eraan kwam.

Bij het afrekenen weigerde de machine haar betaalkaart. Het meisje veegde even met de chip over haar wollen trui en probeerde opnieuw, zonder succes. ‘Het is de chip,’ zei de kassajuffrouw. ‘Waarschijnlijk moet je ermee naar de bank.’ Het meisje haalde een tweede kaart boven, maar ook die werd niet aanvaard. Besluiteloos en met een rood hoofd keek het meisje van haar portefeuille naar haar boodschappen, van de ongeïnteresseerde kassajuffrouw naar mij en de rest van de rij. Daarna vroeg ze of ze de spullen aan de kassa kon achterlaten terwijl ze snel ergens geld zou gaan afhalen. Ik dacht na: ik kon me niet meteen een automaat bedenken in de buurt.

‘Ik zal je mijn rekeningnummer geven,’ zei ik, ‘dan maak je het geld maar over.’ Het meisje keek geschrokken achterom. Ik moest nog even herhalen wat ik precies bedoelde en schreef dan het nummer uit het hoofd op, bovenaan een oude cinemabrochure die ik in mijn tas had gevonden. Ik betaalde negen euro zevenenzeventig voor de wijn, de spaghetti en de avocado, het meisje pakte haastig in, bedankte mij en liep naar buiten.

Tijdens het afrekenen van mijn eigen boodschappen dacht ik na over de halve minuut die was voorbijgegaan tussen de gedachte: ‘ik zou dit meisje kunnen helpen’ en het moment waarop ik dat ook effectief deed. Ik had staan twijfelen, terwijl ik toekeek hoe het meisje steeds beschaamder en zenuwachtiger werd. Ik vroeg me af of dat iets met het balkje te maken had.

Meer nog dacht ik na over de daad zelf. Niet om het geld, want negen euro zevenenzeventig is, ook als ik nooit meer iets van dit meisje hoor, geen bedrag waar mijn vertrouwen in de mensheid van zal afhangen. Neen, wat ik mij in de eerste plaats afvroeg, was waar mijn alles ontwrichtende vermoeidheid was gebleven? Hoe komt het dat ik, ondanks een moment van twijfel, toch op deze manier heb gereageerd, op dezelfde plek waar ik enkele weken geleden nog een puber door het raam had kunnen gooien omdat hij mij als instrument had gebruikt om zichzelf stoer te laten overkomen op zijn vrienden? Hoe komt het dat ik, nog steeds zonder toekomst, zonder thuis en zonder plan, toch maar blijf verlangen om zichtbaar te zijn, ook al heb ik net maanden doorgebracht in de volle overtuiging dat het op was, dat alle proberen mij te veel moeite had gekost, dat alles wat er in mijn leven te zeggen, te schrijven of te voelen viel, heel lang geleden al was gezegd, geschreven en gevoeld, en dat ik na al die maanden toch gewoon weer opsta en dingen probeer en zeg en schrijf en voel en dat ik dan weer verder kan, voor even of voor langer.