Archives for category: nieuw

‘Hier moet ge niet werken,’ lacht de schilder elke ochtend wanneer ik binnen kom. Ook na de derde dag heb ik nog steeds geen idee wat hij hier precies mee bedoelt. Aan de ene kant hoor ik: ‘welkom thuis, hier ben je veilig, vanaf nu is alles goed’ wat de best mogelijke manier is om iemand te begroeten in zijn eigen huis maar voor hetzelfde geld bedoelt hij het ironisch, zoals in: ‘pak maar gauw een beitel, jongen. Ikzelf ben al van zeven uur bezig.’

De schilder toont mij hoe ik barsten moet maken in de muur en hoe ik diezelfde barsten daarna netjes weer opvul. Na de eerste helft van het werk vind ik de lijnen in het gips zo mooi dat ik ze het liefst van al voor altijd wil laten zitten, maar ik weet dat het mij niet zal lukken om dat uitgelegd te krijgen in de discussie die dat onvermijdelijk zou opleveren.

’s Middags wandel ik langs de rivier naar de doe-het-zelfzaak. Op een bank aan het water ligt een grote knuffel van een hond met z’n tong uit z’n bek. Een paar straten verder zijn twee meisjes van een jaar of twaalf bezig een fiets ondersteboven te tillen. Ik loop ze voorbij, omdat ik niet iemand wil zijn die zomaar zijn hulp opdringt waar dat niet nodig is, maar wanneer ik achterom kijk, staren er toch vier ogen vragend in mijn richting. Een halve minuut later ligt de ketting weer op de fiets en kunnen de meisjes verder.

De volgende dag ontmoet ik hen opnieuw, op dezelfde plaats, onderweg naar dezelfde winkel er zijn meer barsten op te vullen dan ik dacht  en we zwaaien uitbundig naar elkaar. Kijk: ik woon hier nog niet eens echt en ik heb al vrienden gemaakt.

De Italiaanse zon maakte vooral het slapen moeilijk. Zodra de warmte in het huis zat, geraakte ze niet meer weg en het licht dat door de houten luiken kroop, zorgde ervoor dat ik nog veel actiever droomde dan gewoonlijk.

In een van die dromen werd ik een jaar of vijftien terug in de tijd gebracht, naar een woonsituatie die ik herkende, maar toch ook niet. Het huis van mijn vader is er in mijn dromen altijd een dat nooit echt heeft bestaan, lukraak samengesteld uit willekeurige kamers van de verschillende plekken waar hij heeft gewoond.

Ik besefte dat ik, nog los van te leren begrijpen hoe dit was gebeurd, een groot stuk van mijn leven opnieuw zou moeten leven met alle kennis van later die ik al had. Ik werd gek van de gedachte aan alle mensen die ik zou moeten terugvinden — hoe leg je in godsnaam aan iemand uit dat ze, al is het maar voor korte tijd, om je zal gaan geven? —, aan alle boeken die ik opnieuw zou moeten kopen, aan alle minder goede dagen die ik zou moeten herbeleven terwijl ik iets beters miste dat nog zou komen.

Thomas was op bezoek. Die kende ik dus al. Dat viel mee. Ik moest me inhouden om hem niet over zijn kinderen te vertellen.

 

“He would have paid anything for a time machine. Just to go back. He was always missing something, always wishing that he could have done something better, or had something again.” — Good Ol’ Charles Schulz (2007)

Op de eerste ochtend dat ik hier wakker werd, stond ik in de woonkamer voor het raam. Ik dronk koffie terwijl ik naar buiten keek, waar een tiental stadstuinen willekeurig in elkaar gevlochten lagen. Een jonge, witte kat zocht zich een weg over de scheidingsmuren en sprong de tuin vlak onder mij binnen. Ze snuffelde wat tussen de bladeren van een struik, draaide zich om, liep een houten speelhuisje op en ging daar even zitten. Ik bleef haar volgen. Af en toe moest ik op de tippen van mijn tenen staan om de juiste hoek te vinden zodat ik haar niet zou kwijtraken. Verder deed ik niets. De koffie was allang op. Ik luisterde naar elk klein geluid in huis en wachtte tot de deur zou opengaan.

De meeste dingen gebeuren trager, bedachtzamer. Na het koffie zetten vouw ik het zakje weer dicht. Dan volgt er nog een vouw en daarna schuif ik een plastic clip precies in het midden eroverheen. Ondertussen kijk ik door het raam naar de straat die ik alleen van vroeger ken. De verkaveling eindigt in een kleine cul-de-sac, waar in het midden ’s ochtends kraaien zitten. Zij zoeken kastanjes in het bos een eindje verderop en laten die dan stukvallen op het asfalt, zodat ze rustig de binnenkant kunnen leegpikken. Daar kan ik minutenlang naar staan kijken, terwijl achter mij de koffie koud wordt.

Soms drink ik de koffie buiten op, waar aan de andere kant van het huis vier schapen zich afvragen wat ik daar doe en waarom ik zo vaak heen en weer loop. Dan probeer ik voor mezelf te bedenken wat het precies is dat schapengezichten tegelijk vriendelijk en griezelig maakt. Ondertussen hupt een mus over de bovenkant van het hek, van paaltje naar paaltje.

Ik wist niet dat er nog mussen waren.

Later op de dag neem ik de bus over drukke steenwegen, die mij in elke richting een ander vorig leven in brengen. De ritten duren lang, maar de manier waarop ze aaien over de littekens en verhalen laten de dagen snel vooruitgaan.

Controle is een luxe. Wie haar kwijtraakt, rest niets anders dan zich aan het drijven over te geven.

 

Dit weekend leerde ik toevallig het begrip ‘I want song’ kennen. Het is de naam die wordt gegeven aan het typische nummer aan het begin van een Disneyfilm, of bij uitbreiding elke musical uit de vroege Hollywoodjaren, waarin de protagonist vertelt wat hij het allerliefst wil en waarnaar hij de rest van het verhaal op zoek zal zijn.

Ik kon niet anders dan denken aan het afgelopen jaar, waarin iemand mij verplichtte om mijn eigen I want song te schrijven, of om op zijn minst eindelijk eens na te denken over wat voor mij belangrijk was en dat hardop uit te drukken.

Tijdens dat nadenken liep het leven gewoon door en net op het moment dat ik mijn I want song af had, gebeurde er van alles waardoor het er opeens naar uitzag dat van wat ik net had bedacht, niets meer mogelijk zou zijn. Net zoals in de film draaide ik rondjes en probeerde met alle macht het probleem op te lossen terwijl de situatie er steeds uitzichtlozer begon uit te zien.

Ik had meer moeten vertrouwen op wat ik al zo lang weet over film: er komt altijd nog een tweede plot point en een derde act met een ontknoping en een moment waarop de protagonist buiten door de stad loopt, op een lenteavond in Amsterdam bijvoorbeeld, en kijkt naar de reflectie van de straatverlichting op het water en in zichzelf begint te neuriën en pas na een tijdje doorkrijgt dat het de melodie van zijn I want song is die hem onbewust ontsnapt.

Aan de kassa van de Delhaize ergerde ik mij een beetje aan het meisje voor me in de rij, niet door de hoeveelheid boodschappen die ze had – die bestonden uit niet meer dan een fles wijn, een pak spaghetti en één eetrijpe avocado – maar doordat ze bewust géén balkje neerlegde toen ze zag dat ik eraan kwam.

Bij het afrekenen weigerde de machine haar betaalkaart. Het meisje veegde even met de chip over haar wollen trui en probeerde opnieuw, zonder succes. ‘Het is de chip,’ zei de kassajuffrouw. ‘Waarschijnlijk moet je ermee naar de bank.’ Het meisje haalde een tweede kaart boven, maar ook die werd niet aanvaard. Besluiteloos en met een rood hoofd keek het meisje van haar portefeuille naar haar boodschappen, van de ongeïnteresseerde kassajuffrouw naar mij en de rest van de rij. Daarna vroeg ze of ze de spullen aan de kassa kon achterlaten terwijl ze snel ergens geld zou gaan afhalen. Ik dacht na: ik kon me niet meteen een automaat bedenken in de buurt.

(meer…)

I.

In het nieuwe huis slaap ik veel minder vast. Misschien komt dat door het lawaai op straat, of door het licht dat de gordijnen nog doorlaten. Ik heb de indruk dat ik daardoor vaker droom, of in ieder geval vaker mijn dromen onthoud. In één van die dromen zag ik mijzelf in een onbekend appartement, op een onbestemde plaats. Ik herinner mij niet meer hoe het eruit zag of hoe het kwam dat ik daar plots woonde, enkel nog dat mijn bovenbuurvrouw het plus size model was dat ik al een tijdje volg op Instagram. (Plus size model is hoe we tegenwoordig een erg mooi meisje noemen dat er verder absoluut normaal uitziet.) Ik ken het model alleen maar omdat zij vorig jaar eens op tv is gekomen, nadat een stelletje eikels had haar uitgelachen aan het fitnesscentrum en zij hen met een jaloersmakende zelfzekerheid van antwoord had gediend. Ook in mijn droom had ik nog nooit met het meisje gesproken, maar nu stond haar appartement onder water, door een gesprongen leiding of zo, en ik bood aan om haar te helpen met opruimen en zo werden we vrienden. Terwijl ik een dweil door de gang en woonkamer haalde, kwam Moussa de trap op om te kijken waar ik bleef – waarschijnlijk hadden we allebei onze voordeur laten openstaan in het gedoe – en alles was zo goed voor dat ene moment en iedereen lachte en ik had alles wat ik nodig had tot vlak voor ik weer wakker werd.

(meer…)