All the world that you’ve denied (IV)

IV.

Waar ik mij nog het meest schuldig over heb gevoeld de afgelopen jaren, is over hoe banaal dit alles overkomt, alsof ik nooit ergens een goede reden heb kunnen geven waarom mijn oude leven opeens niet meer haalbaar bleek.

En misschien is het net dat: er is helemaal niet één goede reden. Elk van de gebeurtenissen die mij zijn overkomen, was behoorlijk onaangenaam, maar wel perfect draaglijk wanneer die onder normale omstandigheden zou zijn voorgevallen. Maar het gaat om de eindeloze opeenvolging ervan, het absolute gebrek aan rust, de opstapeling van feiten over een periode van maanden, waarin het leven, op elk moment wanneer ik dacht: ‘nu heb ik het ergste vast wel gehad, hierna wordt het kalmer’, nog één of twee dingen extra op mij afvuurde die mijn volledige lichamelijke en emotionele aandacht opeisten, die mij dwongen om te handelen, die nieuwe taken toevoegden die nóg dringender waren dan de vorige waarmee ik nog bezig was.

Vier jaar lang had ik twee jobs gecombineerd: een voltijdse in Brussel overdag en een halftijdse ‘s avonds — vaak ‘s nachts — thuis aan mijn bureau. Columns schrijven, tekstjes inspreken voor de radio, af en toe iets tekenen of ideeën in elkaar puzzelen voor een boek, omdat doorheen de jaren verschillende uitgeverijen hadden gevraagd ‘of ik niet met iets bezig was.’ De eerste job betaalde op een aangename manier de rekeningen maar schoot qua creatieve voldoening wat tekort, bij de tweede lag die verhouding net andersom. Ik had ze dus allebei nodig, besefte ik al snel. Dat een mens niet is gemaakt om zo’n ritme jarenlang aan een stuk vol te houden, besefte ik niet. De ideeën voor de columns kwamen steeds minder vlot, omdat ik mij niet genoeg verveelde of op zijn minst niet genoeg meemaakte tussen het werken door, zodat de nachten voor een deadline steeds langer werden en ik nog minder sliep en dus nog minder kon bedenken voor de volgende opdracht en dus nog langer opblijven moest.

Het is waar wat ze zeggen: een lichaam kan veel verdragen, maar zodra het ophoudt met vechten, houdt het ook helemáál op. Er zijn dagen geweest dat ik naar de bushalte wandelde, honderd meter verderop, met het idee om een half uurtje in de stad rond te lopen, maar dat ik nog voor ik de bus kon nemen moest omdraaien omdat ik voelde dat ik anders niet meer terug zou geraken.

Uiteindelijk heb ik een maand thuis gezeten, en daarna nog een maand. Daarna ben ik teruggegaan naar het werk. Niemand heeft mij gedwongen, het is mijn eigen schuldgevoel toen ik merkte dat collega’s in de problemen kwamen dat mij die beslissing heeft doen nemen. Bovendien dacht ik dat het wel zou lukken om mijn leven haalbaarder in te richten: alleen de voltijdse job en daarnaast niet langer op alles ja zeggen, maar enkel de dingen doen die ik echt wilde doen. Ik zou nog maar vier dagen per week gaan werken, de vijfde was voor mezelf.

Ik begon op vrijdagen te experimenteren met linosnedes. Dat liep goed. Ik vond het fijn om te doen en sommige van de resultaten waren zo geslaagd dat mensen ze wilden ophangen in hun huis of op een zak wilden dragen om hun schouder. Ook deze hobby werd een handeltje, maar ik had er tenminste plezier in.

Maar het leven laat zich niet in een richting duwen, of toch niet door iemand die het niet gewend is om dat te doen. Er gebeurden nog meer dingen en na een paar maanden moest ik mijn huis alleen zien te betalen en werd het financieel onhaalbaar om maar vier dagen te werken. Het was een goed plan, alleen is het nooit gelukt.

 

(vorige | volgende)