When the water is too deep (V)

V.

Zodra het weer beter ging, ben ik beginnen te zoeken naar een oplossing, naar een realistisch evenwicht tussen wat de rekeningen betaalt en wat mij voldoening verschaft. God, wat heb ik gezocht. Ik heb een verlammende bescheiden- en verlegenheid opzij gezet om mijzelf aan te bieden op zowat elke plek die mij interessant leek. In afwachting tot een van die losse flodders doel zou raken, heb ik geprobeerd om mijn oude dubbelloopbaan herop te bouwen, op een meer verstandige manier.

Maar eenmaal je zelf uit een gesloten wereld bent vertrokken, is het niet zo eenvoudig om daar opnieuw een weg naar binnen te vinden. Af en toe viel er iets uit de lucht: een lang artikel in Hard Gras, wat columns voor de krant. Het ene werd door recensenten goed onthaald, de andere door het publiek vlot gedeeld, maar geen van die zaken heeft geleid tot meer. En zo is het dan: toen het leek alsof ik alles zomaar in de schoot geworpen kreeg, kon ik het niet vastgrijpen. Nu ik de kans heb om de dingen eindelijk goéd te doen, is het momentum weg.

We zitten in de tweede helft van 2018. Een jaar dat in een rotvaart is opgegaan aan verhuizing na verhuizing, aan meubels kiezen en inrichten, aan geld dat uit alle openingen wegstroomde, aan elke vrije seconde die verdween naar vrienden en familie die mij nodig hadden, aan steeds hetzelfde voltijdse werk, aan een prachtvoorstel voor een nonfictieboek waarbij ik voortdurend mijn hoofd bleef stoten tegen de grens van hoe middelmatig ik dat boek maar zou kunnen krijgen zonder een klein beetje hulp van onverschillige mensen met meer macht dan ik.

Vlak voor de zomer bleek hoe fragiel het evenwicht in mijn lijf nog steeds is. Even werd alles opnieuw te veel, omdat ik nooit mijn leven voldoende had herschikt. In tijden van chaos, zonder genoeg kans om na te denken, vervalt een mens als vanzelf in zijn oude gewoontes. Om dezelfde reden als waarom het zo moeilijk is voor een individu om voorgoed uit de armoede te ontsnappen, is ook een burn-out nooit volledig voorbij. En net zoals bij armoede zullen buitenstaanders (of, neen: niet alleen zij) de schuld altijd bij jezelf leggen, in plaats van bij de externe factoren die er minstens evenveel aan hebben bijgedragen. Een mens beschikt over vrije wil, maar die is beperkt: het aantal beslissingen over mijn leven en tijd die ik de afgelopen jaren zelf heb genomen, kan ik op twee handen tellen.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik mezelf zo lang heb verplicht om naast een voltijdse job ook per se een bijverdienste te willen waarin ik creatieve voldoening vond. Ondertussen heb ik door dat ik mij die bijverdienste niet alleen zelf had opgelegd: voor een alleenstaande in deze maatschappij is een bijverdienste nodig om zichzelf af en toe wat extra’s te kunnen veroorloven. Nooit werd dat meer duidelijk dan op het moment dat ik de dokter tijdens dit herval vroeg om mij alsjeblief niet langer dan een maand thuis te houden: als ik daarna op een uitkering terugviel, zou ik niet eens mijn vaste kosten kunnen betalen.

Maar natuurlijk heb ik die creatieve druk óók mijzelf opgelegd. Het zal altijd mijn natuurlijke houding zijn om per se op alles ja te willen zeggen, in de hoop dat ik toch iets zal hebben verwezenlijkt in de korte tijd dat we hier maar zijn. Dat ik toch iéts zou kunnen toevoegen aan de goede kant van de immense weegschaal vol rommel, iets zou achterlaten wanneer alles hier allemaal veel te snel voorbij zal zijn. En dat ik altijd de druk zal voelen van elke seconde die de grote klok wegtikt.

Ik ben moe, zo verschrikkelijk moe. Moe van het verlangen, de noodzaak, om iets van betekenis te maken. Moe van het vechten tegen wat de tijd die wij hebben maar toelaat. Moe van zo bang te moeten zijn dat elke keer dat ik dit hardop uitspreek, overkomt als aanstellerij, als zelfmedelijden dat ik nooit heb verdiend. Terwijl het geen medelijden is, maar alleen maar boosheid. Heel veel boosheid op mijzelf.

 

(vorige | de slotaflevering van deze reeks volgt binnenkort)