Ik vrees dat alles in orde is

De Joke Schauvliege Challenge is nog geen week bezig of ik lig al voor op schema, na twee voorstellingen op vijf dagen tijd. Zaterdag zag ik het improvisatiegezelschap RIOT, dat ik eerder dit jaar leerde kennen op een cultuuravond van mijn Politika. Ik had die dag nog steeds een beetje koorts en misschien was dat wel de reden waarom ik mijn vooroordelen tegenover improvisatietheater aan de kant schoof. Achteraf was ik daar erg blij om.

De voorstelling van zaterdag was korter dan die in maart, het publiek klein en tam. Ik heb mij geamuseerd, maar een echt oordeel kan ik pas vellen nadat ik ook hun langere theatershow heb gezien, werd mij herhaaldelijk op het hart gedrukt. Welaan dan, laat maar komen. Tot ik een uitnodiging in de bus vind, blijf ik trouw aan mijn eigen schema. Daarop, in grote rode letters: “woensdag: Theater aan zee 2009“.

Oostende ligt niet bij de deur, dus maakten Geert Simonis en ikzelf er maar meteen een daguitstapje van. We gingen op zoek naar de beau monde, maar vonden alleen maar grote duiven die luid schreeuwen en een dure frituur waarin een meisje werkt dat het leven haat. We vluchtten voor de kusttram, die laffe moordenaar, en dronken koffie voor een euro die ons werd geserveerd door een man die zowel Jan Decorte als Simon Vinkenoog had kunnen zijn.

We zagen de kuststad zoals ze echt is, een afgeleefde hoer der badsteden die alleen ‘s avonds te genieten valt, wanneer de duisternis en de overdadige opsmuk haar vergankelijkheid verbergen. Maar de stad was gastvrij en ontving ons graag voor een magere maar toch mooie tentoonstelling over het werk van Arno en voor de hoofdreden van ons bezoek: Sunday Smile van MARS!

Ons mannetje on the inside fluisterde ons in dat we de beste plaatsen konden vinden op de vierde rij. De hangaar was uitnodigend donker, een vriend van Liesa Van der Aa speelde artsy soundscapes, een rookmachine blies ons de voorstelling binnen.

In een oude loods die hun thuis wel lijkt, onder dromerig en steeds veranderend licht, halen een meisje en haar broer herinneringen op aan een vakantie uit hun jeugd. Het zijn kleine scènes, die enkel met woorden worden uitgezet maar die iedereen die ernaar luistert meteen opslokken. De twee acteurs gaan met elkaar om alsof ze terug willen naar toen, hun stemmen klinken bedeesd maar hun blikken schreeuwen om vroeger. Ik zou hier altijd naar kunnen blijven kijken.

De voorstelling lijkt dan ook veel te snel voorbij. Het meeste is ongezegd gebleven en vooral de magazines en de liedjes tussen het hoofdverhaal hebben niet de aandacht gekregen die ze verdienden. Werd er hier toegewerkt naar iets dat er nooit zou komen? Of is dit precies hoe ons geheugen werkt en bestaan onze herinneringen aan iemand anders altijd alleen maar uit flarden van verhalen en liedjes? Sunday Smile is een erg, erg mooi stuk.

Na afloop wilde Geert graag nog een derde keer naar Madensuyu, maar ik trok mij weinig aan van zijn hissy fit en sleepte hem mee naar de auto. Om hem te troosten mocht Engelbert Humperdinck mee als passagier op de achterbank. Nog geen tien minuten later lag de kleine Geert te snurken, met open mond en met zijn hoofd op het dashboard. Slaapwel, Geert. Slaapwel, stomme zee.