People shimmer and they glow right before they go

Er zijn weken waarin gij het thuis niet meer kunt verdragen, Yezerskiy, en dat is geen schande. Dan stapt gij gewoon in de auto en dan rijdt gij naar Hasselt, er is daar een café waar gij kunt praten over muziek en over comedy, over meisjes en over schrijven. Of neemt anders de trein naar Gent, voor een koffie op de Korenlei, voor de boekvoorstelling van Paul Baeten Gronda in de Vooruit. Douglas Firs zal daar spelen. Gij hebt die mannen dit jaar al eens gezien in het STUKcafé en sindsdien wilde gij alleen maar méér. “Wie een nummer als Shimmer & glow geschreven heeft, kan niet genoeg gehypet worden”, hebt gij toen gezegd. En dat dat lied standaard zou moeten beginnen spelen zodra gij ergens een kamer binnenstapt.

Ik bén dinsdag naar Hasselt gereden, ik bén woensdag naar Gent gegaan. Ik heb zelfs een jarenlange traditie in stand gehouden en op Gent Sint-Pieters mijn voorlaatste trein gemist. Meer dan genoeg tijd dus om  Kentucky, mijn land in één ruk uit te lezen op een bankje op het perron. Het begint al gemeen koud te worden ‘s nachts, wisten jullie dat? De leeservaring kan ik niemand aanbevelen, het boek zelf  daarentegen wel.

Vluchten naar Gent bleek geen oplossing: nog diezelfde nacht was ik weer thuis, een paar uur later zat ik opnieuw op het werk. Ik moest nog verder weg, naar waar niemand mij nog kon vinden. Naar de zomer van 1999 of zo. Een bevriende jongerenzender stuurde mij gratis naar De Heideroosjes. Muziek als vluchtluik naar het verleden, iemand zou daar eens een column over moeten schrijven.

De Heideroosjes speelden Break the public peace en ik herinnerde mij waar ik dat nummer voor het eerst heb gehoord: het stond als eerste track op de B-kant van het cassettebandje dat het meisje Annelies mij gaf bij onze eerste ontmoeting. Ik draaide het opnieuw en opnieuw en ik werd een punkrocker. Ik droeg bandshirts en ik verfde mijn haar groen en dat kwam door haar.

Het meisje Annelies en ik gingen samen naar optredens en na één van die optredens sliepen we samen in hetzelfde bed, ongecompliceerd, als broer en zus, als twee puppy’s in dezelfde kartonnen doos. Ja, we beten elkaar wel en we kropen over elkaar heen, maar dat was maar om te spelen, om de tijd te doden terwijl we wachtten tot iemand ons zou komen bekijken en oppakken en – “zie, hoe schattig!” – ons een nieuwe thuis zou geven. We wisten niet hoelang het zou duren, maar we waren tenminste samen.

Ge zijt weer over vroeger bezig, Yezerskiy, maar vergis u niet: het leven trok toen ook al op niet veel. Behalve dat er meer later was.