Die dag had ik de vaart gevolgd tot in Mechelen en onderweg was ik in ieder dorp gestopt om een paar Moleskinebladzijden vol te schrijven. Als beloning voor dat werk werd ik getrakteerd op een bezoek aan De Zondvloed en een koffie op een terras met zicht op nog meer water.

Ik zag hoe een man aan de overkant van de Dijle zijn visspullen uitpakte. Zijn fiets had hij tegen de muur gezet, naast zijn rugzak en een opengescheurd pak met afbakbroodjes waaruit er één ontbrak.

De man liep naar de omheining, gooide zijn hengel uit en keek verveeld naar de dobber terwijl die langzaam stroomafwaarts dreef. Af en toe trok hij de lijn terug in, controleerde voor de vorm of er geen vis aan de haak hing en begon opnieuw. Een jongen van een jaar of twaalf fietste voorbij, stopte en vroeg de visser iets wat ik niet kon verstaan. Die schudde het hoofd.

Op het water dreven een zwaan, een lege zak chips en per ongeluk ook het papiertje van de speculaas bij mijn koffie voorbij.

Dit is wat ik onder een hobby versta: gaan vissen, niet om het vissen zelf, maar om een paar uur van huis weg te zijn. En ondertussen rauwe afbakbroodjes eten.