Archives for category: boek één

Voor wie veel films kijkt, gaat de realiteit er na een tijd steeds minder echt uitzien. Van een kamer als deze had ik verwacht dat de muren in rustgevende aardekleuren zouden zijn geschilderd, dat er schilderijen zouden ophangen met verborgen boodschappen erin, dat er massieve, kersenhouten kasten zouden staan, volgestouwd met beeldjes en souvenirs die, mocht al de rest falen, alsnog het gesprek op gang konden brengen. Tegenover mij zou een verstandige vrouw zitten van middelbare leeftijd, gekleed in een donkergrijs mantelpak. Ze zou haar bril afnemen terwijl ze aandachtig naar mij luistert, haar pen en notaboekje onaangeroerd op haar schoot. Na een minuut of twintig zou zij dan bijna terloops met een inzicht naar voren komen waarvan het plotse besef dat het klópte, dat het echt klópte, mij tot tranen toe zou roeren en mij zou dwingen om mijn hele leven in een compleet ander licht te zien. ‘Dit is wat er mis is,’ zou zij zeggen, ‘en het is niet jouw schuld.’

Een vrouw met paarse haren en een wenkbrauwpiercing zit te wenen op de bus. Ze praat ook in zichzelf, met veel misbaar. Op haar handtas is een spinnenweb getekend. Een tweede vrouw kijkt door het raam achterom, om het gezicht te kunnen zien van de man met grijze snor die we net zijn voorbijgereden. Ik neem mijn telefoon en lees twitter bij. Niemand zegt nog iets over hem en er is geen antwoord van het meisje uit Gent. Pas na een hele tijd kijk ik weer op. De wenende vrouw is verdwenen. Ik heb niet gezien waar ze is afgestapt. Ik neem een stuk papier en schrijf dit op:

(meer…)

Meer dan een maand nu heb ik hier niets meer verteld. Ik heb niet genoeg verhalen om deze stukjes te vullen en ik heb er geen tijd meer voor, sinds ik mijzelf een deadline heb opgelegd voor een boek dat er waarschijnlijk toch niet komt.

Veel vaker dan vroeger zit ik depressief voor mij uit te staren. Ik heb liever niet dat iemand dat weet. De helft van de mensen vindt dat dan erg en de helft vindt dat ik overdrijf. Binnenkort bestel ik op het internet zo’n kussen met armpjes en dan heb ik geen van beide helften nog nodig.

Ik herlees oude brieven, niet omdat ik dat wil maar omdat ik nodig heb wat erin staat, en ik breek elke keer opnieuw. Het valt me ook nu weer op hoe overdreven zinnelijk je altijd schreef – als Peter Verhelst die na een maand in een isoleercel de wereld opnieuw ontdekt – en dat niets ooit eenvoudig was. Alles wat je voelde of hoorde of las, liet meteen een litteken achter, dat je voor altijd met je zou meedragen.

Het exacte tegengestelde van mezelf: ik relativeer  alles onmiddellijk kapot. Ik verzin een verhaal en vind het meteen een stom verhaal in vergelijking met alle andere die ik zou kunnen vertellen. Ik merk hoe slecht het met mij gaat en stap toch de bus op, omdat ik vind dat ik maar niet zo flauw moet doen. Ik denk aan jou en hou me voor dat het gewoon toeval is dat ik sinds die zomer niets meer geschreven heb. Misschien is het gewoon op, heb ik mezelf intussen genoeg herhaald. Misschien maak ik gewoon te weinig mee.

Ik heb niet genoeg verhalen om deze stukjes te vullen. Het wordt tijd dat ik nieuwe mensen ontmoet, en een paar oude opnieuw opzoek. Mensen die aanvoelen als een kussen met armpjes en even weinig vragen stellen.

(Het is voor het eerst in vier jaar dat ik hier een clipje rechtstreeks van YouTube overneem. Terecht, blijkbaar, want het staat behoorlijk debiel.)

Met Kerst vertelde ik over het halve boek dat ik deze zomer heb weggegooid, nadat ik erachter kwam dat iemand anders een heel gelijkaardig verhaal al veel beter had uitgewerkt. Nu het opnieuw wat rustiger is geworden, ben ik klaar om te herbeginnen met iets nieuws, mede dankzij dit lied van Ben Folds en Nick Hornby. Het zal nog niet zijn voor morgen of voor volgend jaar, maar hiermee hebben jullie al een idee van de sfeer.

In de week waarin ik met mijn vorige, minder leuke job begon, leek het ook heel even alsof alles beter zou gaan. Ik geraakte bijvoorbeeld nog in Londen wanneer ik dat wou en op de trein daarnaartoe las ik Moab is my washpot, de autobiografie van Stephen Fry die sindsdien is vastgeroest in de top vijf van boeken die ik op de radio zal gaan voorstellen wanneer Friedl’ mij eindelijk belt. (Bel mij, Friedl’.)

Nu heeft die autobiografie ook een tweede deel, dat heel saai The Fry Chronicles heet. Ik bestelde het met mijn grotemenerenvisakaart nog voor de inkt goed en wel droog was en zonder het zelf te lezen leende ik het uit aan iemand anders, omdat mij dat belangrijk leek.

Nu ik geen boek meer had, verveelde ik mij ’s avonds en om niet te moeten denken aan de autobiografie die ik zelf nooit zal schrijven, ging ik op café met een van de beste vrienden die ik heb. “Je bent een karikatuur van jezelf geworden”, zei hij, want beste vrienden mogen zoiets zeggen. “Ik ben begónnen als een karikatuur van mezelf”, antwoordde ik, “want een boek met als titel En toen ging alles goed wil niemand lezen.”

(“Herfst 2009 Yezerskiy was de beste Yezerskiy”, zei iemand hier ooit, maar ik ben niet van plan om nog eens mijn leven als pasmunt te gebruiken voor een mooi verhaaltje af en toe.)

Met vierendertig graden in de volle zon zat ik op een boot, in het gezelschap van een groep mongooltjes en hun begeleiders, bejaarden en Aziaten die van “V” deden met hun vingers elke keer ze elkaar fotografeerden. De grote doorbraak waarnaar ik zocht was na tien minuten al gekomen, maar daarna kon ik niet meer terug aan land. De laatste twee uur van mijn gijzeling bracht ik in de schaduw van het benedendek door. Ik dronk er de ene koffie na de andere en las de krant, waarin ik met balpen de taalfouten aanduidde.

“Jouw leven is raar”, verweet iemand mij nog niet zo lang geleden. Dat is zo, maar dat zoek ik zelf op en misschien moest ik daar maar eens mee ophouden.

(Ook al is het op deze site nog nooit zo rustig geweest als nu, deze week mocht ik mijn honderdduizendste bezoeker verwelkomen. Wie dat was weet ik niet, alleen dat hij of zij bij de openbare omroep werkt. Binnenkort doe ik nog wel iets speciaals om dat te vieren, maar momenteel staat mijn hoofd daar niet naar.)

(Niet ten einde raad, maar toch dat ik mij wat ongemakkelijk voelde door mijn voortdurende falen, plaatste ik hier dinsdag een oproep. Ik was op zoek naar iemand die veel afweet van sluizen en bruggen en hoe die precies worden bediend.  Na een kwartier had ik al twee bruikbare reacties en vandaag, nauwelijks twee dagen later, zijn dat er al zoveel dat ik mij zelfs een beetje geneer dat ik het ooit heb durven vragen. Jullie zijn de besten. Bedankt.)

Verder heb ik gisteravond voor het eerst gebladerd in de bewerking van  De Avonden door Dick Matena. Ik ging meteen op zoek naar het konijn, omdat ik wilde weten of dat er net zo zou uitzien als in mijn hoofd. Dat had ik nooit mogen doen. Het leek nergens naar.