And maybe it’s time to live

Alle tijd die ik op het openbaar vervoer vergooi, wil ik aan het einde van mijn leven terugkrijgen. Volgens mijn eerste berekeningen zou ik in dat geval nooit kunnen sterven.

Vrijdagavond zat ik op weg naar huis te lezen in Things the grandchildren should know, met The Libertines op de iPod – de twee dingen waar ik deze week het meest van houd. Op exact hetzelfde moment culmineerden zowel hoofdstuk twaalf als lied nummer twaalf in dezelfde twee woorden: een berustend “fuck ’em”. Het is maar stom toeval dat onze levens regisseert, maar dat toeval is een cineast met oog voor detail.

De volgende scène, een dag later, brengt mij opnieuw naar Brussel en naar Kaat, die we nog herkennen van haar gastrol in een recent stukje op de VRT nieuwssite. “Dat stukje was wel mooi”, zegt ze, “allee, ja”. Kaat geeft slechte complimenten en verwijt mij dat ik de dingen mooier opschrijf dan ze in werkelijkheid zijn gebeurd. Het zou er nog aan mankeren.

Maar wij zijn hier niet om ruzie te maken, wel om muziek te luisteren.  Kate York komt uit Nashville, Tennessee maar speelt gelukkig geen country. Wat ze wél speelt omschrijven we na kort overleg als: onderling inwisselbare singer-songwriterliedjes met teksten die bol staan van de middelmatigheid. Mooiste nummer: een cover van Burt Bacharach. ‘Nuff said.

Geen nood, Kate krijgt een tweede kans als achtergrondzangeres bij William Fitzsimmons. “It shouldn’t be this much fun playing these sad songs”, zegt De Baard Van Het Jaar en dat vat zijn optreden perfect samen. Bloedmooie liedjes over verlies en een echtscheiding worden met zoveel plezier gebracht dat al die miserie plots iets hoopvols meekrijgt. Dit is muziek om in openlucht te horen, op een zomeravond in een park, maar wanneer de hele band naar de nok van de Botanique klautert om daar onversterkt nog een laatste nummer te spelen, krijg ik daar toch ook kippenvel van. Mooiste nummer: Afterall.

De nachttrein van Brussel naar Leuven is maar twee wagons lang en volgestouwd met mensen en afval. Achter mij houdt een groep Spanjaarden een kleine fiësta, aan mijn linkerkant luistert een langharig stuk tuig naar overdreven luide speedmetal. Hij haalt een Labello uit zijn jas en stift zijn lippen, waarschijnlijk om zichzelf te beschermen tegen tinnitus. Net wanneer ik denk opgelucht te kunnen ademhalen, blijkt de chauffeur van de nachtbus een voorliefde voor Ierse folk te hebben. Stug weigert hij het volume lager te zetten.

Alle tijd die ik op het openbaar vervoer vergooi, wil ik aan het einde van mijn leven terugkrijgen. Voor elk agressief geluid dat ik daar moet aanhoren, eis ik dat jij me een liedje zingt.