Archives for category: pendel

De jongen tegenover mij keek vreemd op toen ik mijn treinkaartje begon te scheuren – eerst in twee, maar al snel ook in vier en acht en zestien stukken – om de bladzijden bij te houden in het boek dat ik aan het lezen was, omdat zo veel passages rechtstreeks over mij leken te gaan, al snap ik natuurlijk wel dat dat niet écht zo was. Toen we het station binnenreden, keek ik naar de weerspiegeling van het voorbijglijdende perron in het glas van de deur en verloor mijn evenwicht, omdat wat ik zag niet overeenkwam met wat mijn lichaam voelde, ook al was ik mij op elk moment bewust van het bedrog dat speelde in mijn hoofd.

(meer…)

De dag begon met de groendienst die tijdens het bladblazen twee fietsen voor mijn voordeur had gezet en een kwade vuilnisman die daardoor niet aan mijn vuilnis kon. Terwijl ik hem nog net op het laatste moment achterna liep, met twee volle zakken in de hand en ergens een kleine hoop dat ik die misschien ook zelf in de wagen zou mogen gooien, bekroop mij een vreemd gevoel, alsof ik iets over het hoofd had gezien, alsof er aan deze ochtend iets ontbrak in vergelijking met alle vorige.

(meer…)

Het was volop spitsuur, maar om een of andere reden lag de stad er even rustig bij als elke andere dag pas ’s avonds laat. Ik ging er trager door lopen: ik wilde nog steeds graag snel naar huis, maar het was geen noodzaak meer. Op het laatste stuk van mijn weg zag ik een mannetjes- en een vrouwtjeseend. Ze staken de straat over tussen het park en de rivier. Ik vertraagde om hen beter te kunnen bekijken. Het leek zo’n liefdevol beeld opeens, die twee monogame vogels alleen op stap, tot ik mij opeens de professor herinnerde die enkele jaren geleden een prijs won omdat hij als eerste necrofiel homoseksueel gedrag had beschreven bij mannetjeseenden. Ik stopte en keek de woerd, die voorop liep, strak aan. “Kleine goorlap,” mompelde ik lachend. De eenden stopten ook. Het mannetje draaide zijn hoofd in mijn richting. Zo bleven we daar alle drie even staan.

(meer…)

I.

De weg van de trein naar kantoor loopt bergop, elke dag opnieuw diezelfde kilometer, eerst door ongure straten, daarna kronkelend voorbij kleine parkjes om boven uit te komen op de grote laan waar ik alleen nog maar het kruispunt over moet.

Onderweg is er één kort stuk waar de helling even ophoudt, enkele meters plat asfalt vlak na een bocht waar de zon in de herfst zo laag staat dat je op mooie dagen lijkt te verdrinken in het licht. Wanneer ik niet oplet, bijvoorbeeld omdat ik naar Lhasa de Sela luister op de koptelefoon, laat ik mijzelf op dat punt telkens opnieuw verrassen. Omdat ik er aan hetzelfde stevige tempo blijf doorstappen, lijkt het een paar seconden lang alsof het lopen opeens veel gemakkelijker gaat, alsof ik niet langer moe ben, alsof ik weer de kracht heb van twee jaar geleden, alsof alle pijn die ik meedraag in duizend scherven van mij afvalt. Tot de helling opnieuw herneemt en ik me met een schok herinner waar ik ben.

Het is op die dagen dat ik verlang naar iemand die sterker is dan ik.

II.

Ik hoorde mezelf vragen: “ik zoek zo vaak troost bij iedereen die ik ken. Denk je dat ze dat beu zullen worden?”

Toen ik gisteren op het station mijn abonnement wilde verlengen, kreeg ik te horen dat dat niet mogelijk was. In plaats van een gelamineerd stuk papier met mijn foto erop had ik een heel nieuw, meer modern type treinkaart nodig, dat door een computer kon worden gecontroleerd op nauwelijks drie keer méér tijd dan momenteel door een mens. Ik woog de wachtrij aan het andere loket af tegen de tijd voor mijn trein zou vertrekken en besloot het probleem nog een dag te negeren.

(meer…)

Het grootste deel van elke dag luister ik naar muziek om de wereld buiten te houden, en dat werkt. Zo verstond ik niet wat het meisje vlak voor oudjaar tegen mij zei, laat staan of dat alles beter dan wel slechter maakte. Zo hoor ik lieve oma’s niet wanneer ze mij de weg willen vragen, of merkte ik gisterochtend niet dat de man met de muts naar mí­j stond te roepen, terwijl hij op de stoep naast zijn vrachtwagen met beide handen een twee meter hoog ijzeren rek vasthield.

(meer…)

Een vrouw met paarse haren en een wenkbrauwpiercing zit te wenen op de bus. Ze praat ook in zichzelf, met veel misbaar. Op haar handtas is een spinnenweb getekend. Een tweede vrouw kijkt door het raam achterom, om het gezicht te kunnen zien van de man met grijze snor die we net zijn voorbijgereden. Ik neem mijn telefoon en lees twitter bij. Niemand zegt nog iets over hem en er is geen antwoord van het meisje uit Gent. Pas na een hele tijd kijk ik weer op. De wenende vrouw is verdwenen. Ik heb niet gezien waar ze is afgestapt. Ik neem een stuk papier en schrijf dit op:

(meer…)