Lieve M.,

Vanmorgen wilde ik stoppen met alles. Geen deadlines meer, niet haasten, niet wachten, geen angst. Gewoon één job, zoals iedereen: elke dag naar Brussel en ‘s avonds een boek en wat tv. Op gezette tijden een citytrip. Weekends die weekends zijn en waarin niemand iets van mij verwacht – vooral ikzelf niet.

Dat gevoel heb ik al vaker gehad, maar nooit zo erg en dit is de eerste keer dat ik het echt als een optie beschouw. Ik ben hier niet voor gemaakt. Ik verdraag de afwijzing niet meer, de angst, het besef dat wat ik vertel er allemaal zo weinig toe doet.

Ik ben ook lang niet productief genoeg, om alle redenen die ik net heb genoemd. Mijn beste vriend maakt aan de lopende band collages en gedichten en verhalen, zonder zich veel aan te trekken van de kwaliteit, of wat iemand van hem denkt. Het meeste dat hij maakt is goed. Af en toe zit er iets zwakkers tussen, heel regelmatig is hij briljant.

De winkels zijn niet volgestapeld met boeken van schrijvers die voortdurend vechten tegen hun angsten, maar desondanks uitstekend werk afleveren. De winkels liggen vol boeken van schrijvers die zwijgen en gewoon doén. Wie het niet kan opbrengen om gewoon te doen, is hier niet voor gemaakt.

Afgelopen zomer zat ik in een vergadering met mensen van de radio. Ik had een brief geschreven met een paar ideeën voor een nieuw programma. Zij hadden daar wel oren naar en vroegen mij om nog een paar weken verder te werken en hen op de hoogte te houden. Ik werd te enthousiast. Ik heb hen doorgestuurd wat zij mij hadden voorgesteld, niet wat ik zelf zo graag wilde maken. Dat was fout. Zij hebben nog steeds niet op mijn mail geantwoord en na elf maanden verwacht ik dat ook niet meer.

Ik verdraag geen afwijzing, maar ik verdraag het ook niet dat mensen het normaal vinden om zo onbeleefd met elkaar om te gaan.

Eerder dit jaar was ik aan het brainstormen over een nieuwe opdracht met een man die over mij heen praatte aan de telefoon en die niet luisterde naar wat ik te zeggen had. Ik heb hem sindsdien niet meer teruggebeld.

Ik wacht nog steeds op een antwoord van de uitgeverij.

Ik wil niet langer wachten, M. Ik wil dat iemand in mij gelooft en mij helpt en mij een reden geeft om verder te doen. Mijn enthousiasme temperen doe ik zelf wel. Wanneer ik mijn momentum kwijtgeraak, doe ik wekenlang niets en kan ik niet meer de moeite opbrengen om door te gaan. Ik ben hier niet voor gemaakt.

Niet zo lang geleden ben ik hierover tegen betaling met een mevrouw gaan praten. Zij zei: “ik kan je niet helpen, want al je angst en ambitie en gevoeligheid en al je denken aan de dood is net wat je goed maakt in wat je doet.” Wat rest er ons nog als er zelfs geen kwakzalvers meer zijn?

Op gezette tijden een citytrip. Weekends die weekends zijn. Kiezen voor één iemand, misschien zelfs voor een lening en een huis.

Ik denk aan het meisje dat ik zo vaak heb gekwetst door mijn werk boven haar te kiezen. Ik denk aan het meisje vóór haar, dat beloofd had om mij te helpen en het verhaal te lezen waaraan ik toen aan het werken was. Toen zij wegging en door weg te gaan haar belofte brak, heb ik dagenlang gehuild. Niemand weet dat ik huilde om het verhaal, veel meer dan om haar. Niemand heeft het mij ooit gevraagd.

Ik denk aan jou en alle dingen die je hebt gezegd, en dat ze niet helpen.

Vanmorgen wilde ik stoppen met alles. Vanmiddag en vanavond schreef ik dit. Wat er morgen gebeurt, zien we dan wel weer. Waarschijnlijk ga ik gewoon verder met wachten.

Ik kom je gauw opzoeken,

SFY