San F. Yezerskiy

op de oppositiebanken van uw hart.

Just this heart, deep and true

Ik wilde het niet horen vanmorgen. Ik wilde niet zo bruusk deze nieuwe wereld in. Ik wilde half wakker uit bed rollen, het kacheltje aanzetten in de badkamer zodat zij het warm zou hebben tijdens het klaarmaken, en dan nog even verder slapen.

Ik wilde niet opstaan en niet horen wie er wat allemaal van vond.

Dat duurde een half uurtje. Daarna begon ik aan de dag. Ik ruimde op, stapte de auto in, kwam terug en poetste het hele huis. Ik dacht niet te veel na over wat er was gebeurd en zo zal het wel de meeste dagen gaan.

Soms schoot het mij opnieuw te binnen, maar ik sprak erover met niemand. Ik was vergeten – neen, ik was het niet vergeten, ik had het onderschát – hoe graag mensen het bestaande kapot willen maken van zodra ze geen enkele andere oplossing meer zien. Ik had het nochtans moeten weten, ik heb het zo vaak zelf gedaan.

Bij Hanneke las ik:

Ik wil hier blijven.
Ik wil dat iedereen elkaar liefheeft.
Ik heb een kinderlijk verlangen dat iedereen elkaar liefheeft.

Ik wil dat iedereen elkaar liefheeft. Ik wil kinderen die ik kan liefhebben en die zelf ook vinden dat liefhebben het allerhoogste is.

Wij zijn niet de zwaksten in Amerika. Wij komen de volgende vier jaren zonder al te veel kleerscheuren door. Maar we moeten wel af van het klimaat dat ons naar deze dag heeft geleid en waar wij ook zelf middenin zitten. Ik heb te veel te verliezen om mij daarvan niets aan te trekken, zoals een kamer met een kacheltje en iemand die het graag warm heeft wanneer ze opstaat.

EK-special: De Morgen

Marc Wilmots coacht volgens dezelfde mentaliteit die hij vroeger als speler had: achterin alles stevig dicht en dan met z’n allen zwoegen om door de muur van de tegenstander te breken. Het resultaat en het vertoonde spel zijn van ondergeschikt belang, zolang er na het laatste fluitsignaal maar elf mannen naar binnen komen die exact evenveel liters zweet hebben vergoten. Hoeveel kritiek de Belgische supporter ook op Wilmots heeft, dit is het enige aspect waarop hij hem nooit zal afrekenen. Het is een houding waarvan we ooit collectief hebben beslist dat ze hoort bij ons land.

(meer lezen)

EK-special: Kingsley

De allermooiste slaapt graag in een t-shirt van mij – het is maar één van tien miljoen kleine dingen waarmee zij mij elke dag ontroert. Dit weekend was dat een t-shirt met een ontwerp van David Shrigley, de Schotse kunstenaar die heel rommelige en minimalistische tekeningetjes maakt waar ik enorm van hou, omdat veel van wat hij doet mij onrechtstreeks inspireert. Zo zorgde een tekening met een grapje over Letrasetletters ervoor dat ik mijzelf een pak van die dingen aanschafte en daar vervolgens een half jaar lang mee heb zitten te klooien.

(meer lezen)

Hard Gras

Enkele maanden geleden kreeg ik een e-mail van de hoofdredacteur van het literair voetbaltijdschrift Hard Gras. Nederland had nagelaten zich te kwalificeren voor het komende EK, dus wilden zij voor de maand juni dan maar een themanummer maken rond de Rode Duivels. En of ik daarin een paar pagina’s kon vullen. Vraag even een voetbalminnende Nederlander naar de status van Hard Gras en je zal begrijpen waarom ik eerst heel luid ‘ja!’ riep en meteen daarna in blinde paniek onder mijn keukentafel kroop.

Soit, van onder een tafel kan je ook typen en dus staan er nu een stuk én een begeleidende lino van mijn hand in Hard Gras nummer 108, waarvan jullie een exemplaar kunnen kopen in de krantenwinkel of bestellen op de website, of hier. Naast mezelf spelen ook Ivo Victoria, Paul Baeten Gronda, Joost Vandecasteele, Lize Spit en een pak anderen mee, dus je krijgt genoeg waar voor je geld.

Mijn bijdrage heeft als titel ‘“Hazard eraf!” – De aanvoerder van het verkeerde land’ en gaat over hoe onze huidige nationale ploeg niet langer bij de volksaard past, en welke problemen dat oplevert. Veel meer nog dan dat gaat het over een Chelseashirt en mijn iets te gênante idolatrie voor een knul die acht jaar jonger is dan ik.

(Update: deze special werd afgelopen vrijdag gerecenseerd in de letterenbijlage van De Standaard.)

Roll me over slowly

Dit weekend leerde ik toevallig het begrip ‘I want song’ kennen. Het is de naam die wordt gegeven aan het typische nummer aan het begin van een Disneyfilm, of bij uitbreiding elke musical uit de vroege Hollywoodjaren, waarin de protagonist vertelt wat hij het allerliefst wil en waarnaar hij de rest van het verhaal op zoek zal zijn.

Ik kon niet anders dan denken aan het afgelopen jaar, waarin iemand mij verplichtte om mijn eigen I want song te schrijven, of om op zijn minst eindelijk eens na te denken over wat voor mij belangrijk was en dat hardop uit te drukken.

Tijdens dat nadenken liep het leven gewoon door en net op het moment dat ik mijn I want song af had, gebeurde er van alles waardoor het er opeens naar uitzag dat van wat ik net had bedacht, niets meer mogelijk zou zijn. Net zoals in de film draaide ik rondjes en probeerde met alle macht het probleem op te lossen terwijl de situatie er steeds uitzichtlozer begon uit te zien.

Ik had meer moeten vertrouwen op wat ik al zo lang weet over film: er komt altijd nog een tweede plot point en een derde act met een ontknoping en een moment waarop de protagonist buiten door de stad loopt, op een lenteavond in Amsterdam bijvoorbeeld, en kijkt naar de reflectie van de straatverlichting op het water en in zichzelf begint te neuriën en pas na een tijdje doorkrijgt dat het de melodie van zijn I want song is die hem onbewust ontsnapt.

I can’t get my head around it

I need my girl (Brussel, 25/6/13 – Brussel, 22/3/16).

Slechts 84% plagiaat.

It’s all gone slow motion

Als ik iets minder lang had getreuzeld, met aankleden of met het eten van de kat, zou ik om half tien op de metro hebben gezeten aan Kunst-Wet. In de plaats daarvan heeft alles wat gebeurde zich ontvouwd terwijl ik nog onderweg was naar Brussel. Ik zag de chaos toenemen en de politie zenuwachtiger worden, maar wist niet wat er precies was gebeurd. Hoe ernstig het allemaal was, drong pas door toen ik alweer met een koffie aan mijn bureau zat.

Ik verkocht mijn ticket voor het optreden van Tindersticks die avond, omdat ik snapte dat ik nooit in Leuven zou geraken en omdat ik geen enkele zin meer had in muziek die mijn eigen verdriet versterkt. Ik dacht aan het nummer Days of Fire, dat Nitin Sawhney schreef na de aanslagen op de metro in Londen, en waarvan ik altijd had gehoopt dat ik het gevoel waarover hij zong nooit zelf zou kennen. Ik drukte op ‘play’ en het gevoel waarover hij zong kwam in één keer staalhard binnen.

De dag ging voorbij zonder werken. Ik ging naar buiten en liep door de stad tot de wachtrijen aan de stations zouden wegebben. Ik zag de zonverlichte straten die ik elke lente zie en ik dronk een Geuze waar ik altijd een Geuze drink. Ik wilde niet alleen zijn, maar ik wilde zeker niet zijn bij mensen die ik niet goed genoeg ken. Ik twijfelde om een bus te nemen naar het dorp van mijn moeder, maar ook dat deed ik uiteindelijk niet. Ik wilde alleen maar bij jou zijn, maar ik wist niet hoe dat kon.

De stad liep langzaam leeg. Ik stapte in een doodstil station op een vertraagde, lege trein en kwam uren later pas thuis in een huis waar niemand op mij wachtte. Ik keek naar de nieuwsuitzendingen op de televisie en ik dacht aan de zin die ik een paar maanden eerder had opgeschreven, na de aanslagen in Parijs: ‘terreur bedreigt alleen wie een toekomst heeft, of zich kan voorstellen hoe die eruit ziet.’ Het maakt geen verschil of ik morgen opnieuw de metro neem of niet.