Archives for category: mediaverdriet

België staat niet langer in de top twintig van meest gelukkige landen. Dat zegt het Geluksrapport van de Verenigde Naties, dat één keer per jaar verschijnt. Eén keer per jaar bellen alle kranten – ook de mijne, die net tien cent duurder is geworden omdat ze zelfs schlemielen als ondergetekende een betaalde column aanbiedt en dat geld toch ergens vandaan moet komen – en televisieredacties dan naar Leo Bormans, de man die ooit een boek heeft geschreven over geluk en in de nasleep daarvan de wereld afreist om lezingen te geven, te poseren met gezaghebbers en ‘geluksinterventies’ te houden. Wacht, wát?

(meer…)

Ik hoorde mensen zeggen dat ze het afschuwelijk vonden, en walgelijk. Dat waren nochtans mooie en verstandige mensen. Ik hoorde anderen, minstens even mooi en verstandig, beweren dat het dapper was, heldhaftig zelfs. Toen ook de Washington Post, doorgaans enkel gelezen door mooie en verstandige mensen, er aandacht aan begon te besteden, vond ik het welletjes geweest. Waarom verliest iedereen zich altijd in de details?

(meer lezen op deredactie.be)

In de warme nazomer van 2004 bracht ik met mijn studentenvereniging een weekend in Noord-Limburg door. Ik speelde er kennismakingsspelletjes met achttienjarigen en had geen enkele aandacht voor de wereld buiten het kampeerterrein, tot ik een sms kreeg van de jongen die later mijn huisgenoot zou worden. “Dré is dood, man.” Ik schrok.

(meer lezen op deredactie.be)

De Morgen heeft haar in memoriam voor Solomon Burke quasi volledig gekopieerd uit Wikipedia. Ik vond dat de man een mooier eerbetoon verdiende. Mijn bedoelingen waren goed, maar uiteindelijk heeft de meest hectische middag van het jaar een niet meer dan middelmatig stuk opgeleverd.

Het lijkt alle ingrediënten te hebben voor een goed verhaal. Twee beste vriendinnen achter dezelfde man. Een bedrogen echtgenoot. Een moord uit jaloezie, een parade van alle zeven hoofdzonden. Het is Baantjer, maar dan in het echt. De vermoedens zijn zo duidelijk dat het ontbrekende bewijsmateriaal na een cognac bij Lowietje wel vanzelf zal komen bovendrijven. Maar net zoals bij Baantjer heb ik er geen enkele behoefte aan om te weten hoe dit verhaal afloopt.

(meer lezen op deredactie.be)

Vorige week was ik de nonsensberichten in mijn krant zo beu dat ik de actie ‘Facebookgroepen zijn géén nieuws’ ben gestart. Een succes is dat niet geworden, maar ik heb me toch een hele middag prima geamuseerd.

Gisteren was ik de nonsensberichten op mijn televisie zo beu dat ik een column heb geschreven. Het lijkt alsof hij over Linda De Win gaat, maar eigenlijk is het mediakritiek. Zoals je medicijnen voor je kleuter ook eerst door de appelmoes mengt.

Lieve Linda De Win.

Stukjes met een mening zijn niet mijn forte. Dat is geen schande, maar ik moet dat durven toegeven. Dit is dan ook de laatste keer. Volgens Maartje wordt het tijd dat ik eens iets ontieglijk moois schrijf over de liefde. Ik overweeg dat. Volgens Thomas moet mijn volgende stuk over choco gaan. Benieuwd wie het zal halen.

Vroeger wilde ik journalist worden. Eerst wat geld bij elkaar sparen voor de moeilijke tijden die ongetwijfeld zouden komen en dan head first het avontuur in. Freelancen, met veel aandacht voor het romantische ideaal. Mijn intrek nemen in een kasteel en mij in mijn slaap laten betasten door een oude, gekke zeeman. Andere mensen zagen het ook: na mijn thesisverdediging gaf mijn promotor mij de raad om Tegels lichten van H.J.A. Hofland te lezen en mezelf zo snel mogelijk op te werken tot onderzoeksjournalist.

(meer…)

Martin Bril is dood. Dat zal het laatste nieuws zijn dat ik deze week in het Nederlands lees. Vroeger wilde ik Martin Bril zí­jn. Iedere zaterdagmiddag zocht ik thuis in de weekendbijlage van De Morgen – want zo’n familie waren wij – naar zijn nieuwe cursiefje, dat meestal ergens verstopt zat tussen de kruiswoordpuzzels en de tips voor budgetwijnen. Als ik vandaag schrijf over mevrouwen  van de bus of over het mannetje dat op de trein woont, dan komt dat omdat ik de wereld zo graag door de ogen van Martin Bril wil zien.

Ook dit nieuws is nu alweer een halve dag oud en te belegen om er nog langer bij stil te staan. Ik blader wat door Gloriedagen in een iets te krappe zetel en stel mijzelf gerust met één gedachte: als het vliegtuig neerstort, dan gaan de nouveaux riches op de rij voor ons er tenminste ook aan. Niets tegen mensen die zich opwerken in de wereld, met een beetje hulp van Pierre Bourdieu hoop ik zelf ook zo iemand te worden, maar zodra ik lieve cabinemeisjes als vuil ga behandelen mag u mij voor de kop schieten.

Vóór mij zit een grote, stoere zwarte man met een groot, stoer zwartemannenhoofd. Kaal. Ik vraag mij af of hij zijn hoofd zelf scheert, of dat iemand dat voor hem doet. Achter het rechteroor zit een grote knobbel. De haartjes in de plooien van de knobbel zijn exact even lang als die op de top, wat laat vermoeden dat iemand anders zich van heel dichtbij om het hoofd heeft bekommerd.

Ik besef dat ik staar en dwing mijn blik naar buiten. Polen ziet er net zo uit als Duitsland een kwartier geleden, of als Bertem nog een uurtje eerder. Ik schrik: met een klap valt de stoel achteruit en het zwartemannenhoofd komt plots wel erg dichtbij. Het schudt heftig heen en weer, er klinkt gehoest. Op onze rij puzzelen we met de inhoud van onze voederbakjes tot één van ons een volledig vegetarische maaltijd heeft en iemand anders een shitload aan kip. Elf  kilometer lager gaat Polen over in Wit-Rusland. Er is nu niemand meer om die kleine dingen op te merken.